Pedofilie - Mini-colleges
 

[ < Vorige ]   [ Start ]   [ Omhoog ]   

Mini-college # 17, maart 2021:

Michel Foucault en het postmodernisme

Postmodernisme? Wat is dit?

Dan zullen we eerst het modernisme moeten bespreken. Dit was de tijd na de Verlichting, weliswaar beconcurreerd door de Romantiek, maar wel gevolgd door de periode van industrialisatie en een forse groei van de wetenschap, vooral de natuurkunde en de techniek: het technologische tijdperk.

Het modernisme gelooft dat er één waarheid is. Deze is objectief. We kunnen die vinden door empirisch onderzoek, door proeven, door waarnemen, meten en tellen, door statistiek en techniek. De waarheid vind je, hij is er, en dit doet de onderzoeker. Zo zal de wereld beter worden, universeel en lineair. We zien het nog overal om ons heen - vooral op de rechter vleugel. Met zoekt daar naar de verloren 'heelheid' van waarheid en werkelijkheid. Dit is een idee uit de Romantiek, de reactie op de Verlichting. Nog recent zei een politicus "Eens was er heelheid, nu zijn er scherven." Uiteraard gaat hij die heelheid herstellen als je maar op hem stemt.

Nu bestaan er natuurlijk wel van die objectieve waarheden, feiten: de dom van Utrecht is zoveel meter hoog, het vriest vijf graden en water bevriest bij nul graden en kouder, water bestaat uit H2O moleculen: twee waterstofatomen en een zuurstof atoom. Deze waarheden zien we terug in de natuur- en scheikunde, de wiskunde en de techniek. Prima, handig voor techniek. Bij de menswetenschappen wordt het toch wat lastiger. Zo kan de statistiek alleen maar de kansen berekenen, maar niet de feiten voorspellen. Zo is recidive niet te voorspellen, men kan alleen de kans op recidive berekenen.

Het postmodernisme ging hier anders over denken, zo vanaf het midden van de vorige eeuw, juist na 'de roerige jaren '60' en vooral in Frankrijk. Er was al de fenomenologie, die stelde dat het niet voldoende is om de feiten te kennen, bij de mens: het gedrag, maar dat het ook nodig is de betekenis van die feiten en dat gedrag te achterhalen. Levende wezens zeggen iets met hun gedrag, vooral juist de mens, die hier met zijn grootste vermogen, de taal, zin en betekenis aan kunnen geven. Let er dus op hoe de mensen, bij voorbeeld over seksualiteit spreken, voorheen, en hier en nu. Kijk naar de samenleving waar je in leeft, je leeft immers niet alleen. Je gaat dan letten op de discours over de seksualiteit.

Dit sluit goed aan bij Martin Heidegger, die 'Het (mens) Zijn' bespreekt (in "Sein und Zeit") en stelt: Mens zijn is in de wereld zijn, mens zijn is ergens zijn, menszijn is in een tijd zijn, mens zijn is met elkaar zijn, dus ook met elkaar spreken over het zijn.

Dit 'spreken over', de Diskurs is ook een kernbegrip bij Jürgen Habermas. Door met elkaar te spreken dus, doe je iets, je stelt een daad. Communiceren is bij hem: communicatief handelen. In die Diskurs, stelt Habermas, gelden regels, bijvoorbeeld waarheidscriteria, en die zijn in de ene discours anders dan de andere:

  • In de empirisch-theoretische discours is objectiviteit een centraal criterium;
  • in de praktische koers, die gaat over het (juiste) handelen is dit: onderlinge overeenstemming;
  • in de therapeutische discours is de subjectieve beleving het centrale punt.
Zie maar < https://www.human-being.nl/Bibliotheek/habermas_schema.htm >.

Het postmodernisme zegt dan dat er niet één absolute objectieve waarheid bestaat, dat de werkelijkheid complex, 'gebroken' ('in scherven') gefragmenteerd en grillig is, dat de mens het moet doen met een hele serie subjectieve belevingen, betekenissen, duidingen, keuzen, dat 'waarheid' dus een veelkleurige waaier is, en dat we eerder op zoek zijn naar mogelijke waarheden, meervoud, dan dat we deze zelfs maar kunnen kennen. We moeten het doen met het zoekproces en de subjectieve waarheden. Waarheden zoek je samen in een waarheid-zoekende dialoog ('discours') waarin we de waarheid samen construeren en vooralsnog als waarheid afspreken, waarna we weer doorzoeken, want we schuwen dogmatiek, we zijn zelfkritisch en accepteren onzekerheid, twijfel, uitproberen, zoeken.

Dit vinden we vooral 'op links', waar vooral aandacht is voor de verhalen van de onderdrukten, hun waarheid en werkelijkheid dus, met als doel: bevrijding, emancipatie - maar dan niet in de dogmatische 'emancipatie der onderdrukten' die het marxisme en het communisme in het vooruitzicht stelden. Deze 'grote verhalen' zijn afgedaan: ze bewerkstelligden juist onderdrukking. We gaan het doen met 'de kleine verhalen' van de onderdrukten.

Als we hier een beetje in doorschieten, komen er wel erg veel 'waarheden' tevoorschijn, zoals nu wel het geval is. "Wetenschap is ook maar een mening" horen we zeggen, en "Mijn Mening telt! Ik wil dat die gehoord wordt!" De mening van Tante Miep uit Appelscha telt net zo goed als de mening van een ervaren en gepromoveerde viroloog ... Het blijft verstandig ook objectief en nauwkeurig naar de feiten te kijken, maar daarna zullen we het over die feiten moeten gaan hebben: wat betekenen ze?

Dit geldt vooral voor de menswetenschappen, zowel het weten hierin als het kunnen handelen in de mensenwereld, in ons geval vooral in het kunnen helpen van mensen met zelfhulp en waar nodig therapie. Daar komen we dan de zelfhulpgroepen tegen, nu JON en West, die draaien op de narratieve methode, kernachtig gevat in "het verhaal dat verteld mag worden" –[*] en dit is het subjectieve verhaal van de eigen beleving en de eigen interpretaties, gedachten, overtuigingen, de subjectieve waarheden, wensen, doelen, handelingen.

De methodiek van deze groepen is gestoeld op de narratieve methodiek, dus de narratieve theorie en filosofie. Deze zegt dat 'de feiten kennen' niet voldoende is: er is een verhaal bij nodig. Narratief weten is anders dan wetenschappelijk weten; het is subject-gebonden. Het vindt plaats, zegt Foucault, ‘in de plooien van de samenleving’, de plooien die elk geheel wel heeft. Kritisch denken is ook ‘zich plooien’. Het subject ontplooit zich in een sociale context, in een ‘men’. Subjectiviteit is een positie innemen in een geheel, een variabele in een complex netwerk.

De narratieve denkwijze is op haar beurt geworteld is in het postmodernisme dat de subjectieve waarheden, meervoud, zoekt. Dus zullen we iets van dit postmodernisme moeten weten, dus spreken we nu over een van de grondleggers ervan: Michel Foucault.

Michel Foucault

Geboren in 1926, overleden aan aids in 1984, werkzaam in Frankrijk na '1968'. Hij schreef een indrukwekkend oeuvre in fraai Frans, met vele woordspelingen, die in de vertalingen, vooral in het Engels, verloren gaan. Foucault was historicus en socioloog, maar vooral ook filosoof en essayist; schrijver van ideeën.

 Zijn werkwijze noemt hij zelf 'archeologisch en genealogisch': van de verschijnselen, bijvoorbeeld seksualiteit, gaat hij na hoe hier in het verleden over gesproken en vooral geschreven (verteld, verhaald) is en hoe zich dit ontwikkeld heeft in de loop der eeuwen. Hij zoekt naar ‘vertogen’, uitspraken, teksten gebeurtenissen en de regels daarvan.

Hij schreef vier delen van de 'Geschiedenis van de seksualiteit'.

Deel 1 kwam in 1976 uit, gevolgd door 1984 en 1985, deel 4 postuum in 2018. De ondertitel is 'De wil tot weten'. Hij beschrijft niet zozeer de seksualiteit op zich, als wel de manier waarover er (niet) gesproken en geschreven is: wat men wist en meer wilde weten van seksualiteit. Aanvankelijk werd er namelijk vrijwel niet over gesproken. De context is die van de disciplinerende macht en de normaliserende wetenschap.

‘De macht’

Voor we op de seksualiteit ingaan, moeten we nog een van zijn kernbegrippen bespreken, namelijk 'de macht'. Het is de macht van de kerk die seksualiteit onderdrukte, het is de macht van de rechter die de meest intieme feiten openbaar maakt, niet minder de macht van de media, vooral nu. Met 'de macht' bedoelt hij dan ook niet zozeer de kerk, de vorst, de regering, de rechter, de wet of arts, maar "een veelheid van krachtsverhoudingen", een hele keten van onpersoonlijke instanties en hun strategieën, maar ook de confrontaties, de conflicten, het verzet. Het is een dynamisch veld, complex, altijd in beweging, voortdurend veranderend.

Wat wil ‘de macht’? Vooral normaliseren, conditioneren, disciplineren, macht over het lichaam, macht over de geest. Macht werkt als een onzichtbare eenheid; macht maskeert zichzelf gaarne, soms als ‘hulpverlening voor uw bestwil’. Hier moet je wel kritisch op zijn.

Seksualiteit

In het oude Griekenland bestond, tot lang daarna nog, 'de homo' niet. Er waren homoseksuele handelingen die getolereerd werden en 'liefde' genoemd werden. De Romeinen waren minder tolerant en de christenen maakten er een zonde van, maar nog niet 'de homo' als identiteit, die 'pervers' werd genoemd. Met 'de homo' verscheen dus ook 'de hetero' pas in de 19e eeuw, waar zich in de 20e eeuw 'de pedo' zich aan dit gezelschap toevoegde. Taal is niet neutraal, kennis en macht al evenmin. Dit zijn geen neutrale begrippen, het zijn moraliserende, normaliserende begrippen.

Eeuwen lang werd over seksualiteit vooral gezwegen. Men liet het aan de mensen zelf over. De kerk was er niet dol op. 'Liever niet', zei Paulus al, al is het celibaat pas in de achtste eeuw ingevoerd. De wil tot weten was er al wel, maar nogal in het geheim van de biecht. De priesters kregen heel wat te horen, maar zorgden ook voor de bevrijdende vergeving.

Pas in de 16e eeuw, die van de Verlichting, kwam de wil tot weten goed los: men ging spreken over seksualiteit. Foucault spreekt van 'discursivering': de seks, vooral beleving, geheim, mystiek, werd beschreven in woorden met hun logische volgorde en hun omschrijving van begrippen. Soms ter stimulering van 'de (romantische) liefde', maar meer ter onderdrukking ervan. 'De macht' hapte toe: de artsen, de wetgever, de kerk, de schrijvers. Foucault noemt dit 'intensivering' (van het gesprek).

In de 17e eeuw zag de macht het lichaam van de mens als een nuttige, en via disciplinering nuttig te maken, machine.

In de 18e eeuw kwam vooral de biologische zienswijze op, gevolgd door ‘biopolitiek’: volksgezondheid, bestrijding van epidemieën en hongersnood, verlenging van de levensduur, evenals ‘bevolkingspolitiek’ (‘niet te veel mensen s.v.p.’)

In de 19e eeuw sloeg de macht echt flink toe. De taal werd 'gezuiverd', er kwamen nieuwe metaforen en begrippen op, zoals het begrip 'tegennatuurlijk'. Er kwam kennis, voorlichting, maar ook pseudowetenschap, moraal, regels, wetten, plichten en verboden. Dit gebeurde volop in de 19e eeuw. Er kwam controle op de kinderlijke seksualiteit en op de randvormen van seksualiteit; diversiteit werd perversie. Seksualiteit werd een bron van gevaren, kwalen, stoornissen, verborgen kanten van de mens die onthuld moesten worden. Er kwam kennis, dus symptomen, dus diagnoses, dus interventies.
Dit gebeurde vooral in het Westen. Het (Midden-)Oosten behield zijn ars erotica als een prettig geheim op zich – toen nog.

Wat Foucault vooral opviel was dat men dol was op 'bekentenissen', in het bijzonder van 'de afwijkenden', de criminelen, de 'gekken', de kinderen, de homoseksualiteit, 'de gemankeerden' en hun seksuele 'stoornissen'. De Sade schreef zijn veel gelezen boeken. De (toch bevrijdende) biecht kwam terug in het gesprek met de arts, later vooral de psychiater. Foucault noemt dit medicalisering, psychiatrisering en juridisering. Arts, psychiater? Om de 'gemankeerde' te bevrijden, te helpen? Een beetje ja, om van zijn stoornis af te komen, maar uiteindelijk vooral om deze te normaliseren.

Er was een preoccupatie ofwel obsessie met de kinderlijke seksualiteit, vooral met de kinderlijke masturbatie, toen "onanie" geheten. Deze moest kost wat kost voorkomen, dus verboden worden, want er werden, pseudowetenschappelijk, allerlei, zo niet alle, latere kwalen, lijfelijk en psychisch, aan toegeschreven.

Zo kwamen de sterke vleugels van 'de macht' over het gezin te liggen. Het gezin werd ‘gepsychologiseerd’, seksualiteit werd ‘gepedagogiseerd’, het vrouwelijk lichaam ‘gehysteriseerd’ en pathogeen (een bron van kwalen) genoemd, afwijkingen werden gepsychiatriseerd’’ en ‘gejuridiseerd’. Seksualiteit is onverbrekelijk verbonden met kennis van en macht over lichaam en geest. Het gezin zat in de tang van normalisering en disciplinering.

In zijn latere werk ziet Foucault niet zozeer de seks als zodanig onderdrukt, die mag er best zijn, maar, zegt de macht, graag wel gereguleerd, genormaliseerd, gedisciplineerd. Ook zegt hij dat niet zozeer het verlangen (naar de ander, de liefde, de harstocht, intermenselijk dus) wordt onderdrukt, maar wel de lust (die in het eigen lichaam gevold wordt). Nu ja, een beetje lust wordt nog wel geaccepteerd, zoals ook homoseksualiteit als nu eenmaal bestaand feit, maar niet geaccepteerd wordt dat men daar ook nog gelukkig van wordt, want dit bedreigt de bestaande orde. Homoseksualiteit? Afwijking! Probleem!

Foucault zegt dan ook nog dat er geen eenduidige leeftijd is voor seksuele meerderjarigheid. Hiervoor is de maatschappelijke context bepalend. Zelf vindt hij dat de jongere vanaf de 13- tot 15-jarige leeftijd seksueel vrij gelaten moet worden.

"Over de vraag of en in hoeverre kinderen kunnen toestemmen in een seksuele verhouding met volwassenen, is veel gediscussieerd. Foucault wijst erop dat deze discussie over het 'toestemmen' een typisch juridische is en dat zij is gebaseerd op de notie van het contract. Eigenlijk is deze notie niet van toepassing op vraagstukken van seksualiteit. Zijns inziens is het onjuist om in de plaats van kinderen te beslissen of er al dan niet toestemming gegeven is voor seksuele betrekkingen. Men zou het kind in de eerste plaats zelf hierover een uitspraak moeten laten doen, dat wil zeggen het de mogelijkheid bieden om zelf te zeggen wat het verlangt. In de discussie zoals ze tot nog toe werd gevoerd, is in feite niet geluisterd naar wat er door de kinderen wordt gezegd." (Lambrechts 1982, blz 199 & 200)

Nu is seksualiteit nog wel een beetje een gezellig onderwerp; het wordt minder gezellig als we nu over ‘de waanzin’ moeten gaan spreken, en daarna nog minder gezellig als we het over het strafrecht moeten gaan hebben.

De waanzin

Foucault’s proefschrift gaat over ‘De geschiedenis van de waanzin’. Na de Middeleeuwen was de melaatsheid nagenoeg uitgebannen. Men gebruikte daarna dezelfde gebouwen om ‘waanzinnigen’ op te sluiten en net zo te ‘behandelen’, aanvankelijk ook met de ‘werkschuwen’. Deze werden, onzichtbaar in de tehuizen, opgevoed tot arbeid. Loop maar eens door het dorp Veenhuizen.

Toen ten tijde van Verlichting, zo rond 1650, de Rede in hoog aanzien kwam te staan, begon men ‘de redeloze waanzinnigen’ van ‘de werkschuwen’ af te zonderen, om dit de werkschuwen niet aan te doen. De waanzinnigen werden wel zichtbaar: ten toon gesteld, letterlijk, als ‘monster’ of ‘dier’ dat dressuur nodig had. Zij werden behandeld als onmondig gehouden kinderen met wie men niet spreekt; ook als ‘ongelovigen’, ook dat nog.

In hun lichamen spookten onredelijke hartstochten rond, die lichamelijk uitgezuiverd moesten worden met bepaalde stoffen, rituelen, bewegen en werken. Zij werden geobserveerd, beoordeeld, veroordeeld, gestraft en zo tot schuldgevoel en zelfverachting gebracht.

Lichamelijk, dus. Zo kreeg de arts hierin een centrale plaats. Niet dat deze toen medisch veel kon doen, toch kreeg deze het hoogste gezag. We horen het nu nog terug in de “geneesheer-directeur” van psychiatrische instellingen. Zijn gezag was vooral disciplinerend, moraliserend en zo zelf-vervreemdend. Aan ‘de zieken’ werd met overmacht een bepaalde ‘waarheid’ opgedrongen, net zo lang tot deze aanvaard werd. Dit gebeurt nu nog.

De psychiatrie werd een verlangstuk van justitie – Foucault zegt: “van de Inquisitie”. De psychiatrie werd criminologie. De dissident werd een patiënt met een ziekte die gevaarlijk was. De ziekte zelf kon men niet behandelen, de zieke kon men wel disciplineren, normaliseren. Dit is gebeurd in Siberië in de Goelag, maar helemaal verdwenen is dit nog niet. We zien dat de rechter behandeling oplegt. Dit bracht Foucault tot het onderwerp ‘Strafrecht’, en ons nu dus ook.

Strafrecht en gevangenis

In 1971 trad Foucault toe tot een comité dat de gevangenissen wilde onderzoeken, dit n.a.v. een hongerstaking aldaar. Men ging spreken met (ex-)gevangenen, hield een enquête en publiceerde de resultaten: kennis over dit afgesloten wereldje. Ook een gevangenispsychiater sprak zich uit; haar rapport is beroemd geworden. Foucault werd publiekelijk erg boos op president Pompidou toen deze weigerde twee ter dood veroordeelden gratie te geven: “Wij beschuldigen de gevangenis van moord met goedkeuring van het staatshoofd”.

Hij publiceert een boek met ervaringen van een ex-gevangene. Als ‘archeoloog’ pluist hij een dossier van 1836 uit. Hierin leest hij dat een moordenaar ter dood wordt veroordeeld, maar dat twaalf psychiaters de koning om gratie smeekten vanwege de geringe toerekeningsvatbaarheid, waarna de koning de straf omzette in levenslang; de gevangene pleegt later zelfmoord. Hij publiceert het dossier en voegt er commentaren aan toe die een heftige discussie in gang zetten. We zien hier ‘de macht’ meervoudig in werking: de rechter (vonnis), de gevangenis (uitvoering), de artsen (petitie) en de vorst (gratie). Artsen tegen juristen, elk met hun eigen interpretatie, gezien door hun eigen bril.

In 1974 trad hij toe tot een comité dat de omstandigheden van de gevangenen wilde verbeteren. In 1975 publiceert hij zijn boek hierover: Surveillir et penir (Toezicht en straf), ondertitel: ‘De geboorte van de gevangenis’.

Was tot 1750 (de Verlichting) de misdaad een vergrijp tegen de vorst met publieke foltering van het lichaam als gevolg, nadien werd de misdaad een vergrijp tegen de maatschappij, met hervormingen van het strafrecht, enige humanisering en gerichtheid op het verbeteren van de ziel in de beslotenheid van het gevang. Overal in Europa kwamen grote gevangenissen met, in plaats van grote cellen voor veel mensen, ieder een eigen cel.

De geboorte van ‘de crimineel’ en ‘de abnormale’
Echter, behalve het gevang werd hier, naast ‘de misdaad’ als daad, ook ‘de misdadiger’ geboren als identiteit: de crimineel/delinquent, de schurk of gek, hoe dan ook ‘de abnormale’ die genormaliseerd en gedisciplineerd moest worden. Hoe? Door permanent toezicht, arbeid, een strak uurrooster, dressuur, regels, sancties, beloningen, rangen en allerlei ter heropvoeding dienende programma’s.

Nieuw? Niet echt, want dezelfde strategieën werden al gevolgd in kazerne, klooster, fabriek en school. In de laatste twee nam gelijktijdig de mate van disciplinering en normalisering fors toe. Gelijktijdig nam overal toe: onderzoek, documentatie, dossiervorming, registratie, identificatie, indelingen en tabellen. Er ontstond zo een nieuw type individualiteit: het individu wordt ‘een geval’ – niet alleen de veroordeelden, ook de zieken, de kinderen, de afwijkenden … en de gewone mens.

Dit was effectiever voor ‘de macht’ en haar ijver om te disciplineren en te normaliseren. Overigens niet alleen negatief, ook productief. Wie een goed product wil maken, zieken wil genezen of onderwijs geven is gediend met een zekere mate van discipline. “Een zekere mate van”: hoe ver wil men gaan?

Het panopticum
De beschrijving en analyse door Foucault van het panopticum is beroemd geworden. Dit is de koepelgevangenis, een uitvinding van Jeremy Bentham die overal in het westen werd gebouwd; er zijn er nu nog. In de ring zijn de individuele cellen met ramen aan twee kanten, naar buiten en naar binnen, maar niet naar de buren. In het midden zitten de weinige bewakers, zelf onzichtbaar, in een toren. Zij kunnen alles en iedereen op elk moment zien en iedereen weet dit, zij het niet wie wanneer wat ziet. De macht functioneert hier machinaal, onpersoonlijk en efficiënt, dus optimaal.

Permanent toezicht
In de 19e eeuw ontstaat er een disciplinerende en normaliserende samenleving door permanent toezicht, door de staat, de politie, maar ook vele anderen. De verandering is dat men eerst het kwaad wilde uitbannen door de veroordeelden in bedwang te houden, negatief dus, nu wil men, positiever bedoeld, productief zijn en nuttige individuen kweken door toezicht op allen, niet alleen de uitgestotenen.

Dit werd in gang gezet en mogelijk gemaakt door de groei van de bevolking en het productieapparaat, door toename van wetten en rechtspraak, formeel voor allen gelijk, en de toename van kennis – en we weten: kennis is macht, niet alleen door de techniek, ok door op opkomst van de menswetenschappen als psychologie, psychiatrie, pedagogie en criminologie. Nuttig voor allen? Niet echt, zegt Foucault: vooral voor ‘de macht’ die zo beter toezicht kan houden, beter kan disciplineren en normaliseren.

De gevangenis
Ondank tal van hervormingsvoorstellen heeft de gevangenis zich gehandhaafd in de samenleving, door haar effectiviteit in het straffen en het (her-)disciplineren van mensen, toch op een meer humane wijze dan de vroegere wrede folteringen.

De beginselen waren

  • Isolement; dit voorkomt onrust, complotten en opstanden.
  • Arbeid; dit bewaakt de (tijds)orde en is opvoedend.
  • Individualisering: naar delict, straftijd, mate van ‘vrijheden’, maar ook diagnose na individueel onderzoek naar ‘criminele aanleg’ en andere stoornissen, waardoor de kennis toenam: psychologie, psychiatrie, criminologie.

Foucault zegt dan: de dader werd de delinquent. Zo creëerde de gevangenis de delinquentie (als begrip) en de delinquent (als identiteit), dus de criminologie, die op haar beurt weer de rechters beïnvloedt, die mensen naar de gevangenis stuurt, die en ‘een delinquent’ van maakt, enzovoorts. Dit heeft een politieke functie: door te bepalen wie der delinquent is, help je de samenleving om ‘het kwaad’ te definiëren en te plaatsen, namelijk in ‘de lagere klassen’. Dan weet de macht ook wie er waar gedisciplineerd moet worden.

Kort intermezzo

Het Stanford prison Experiment
Bij ‘ken uw klassieken’ hoort ook wel kennis van dit beroemde experiment van 1971 door Zimbardo. De kelder van het psychologisch instituut werd ingericht als ‘gevangenis’. Vrijwillige deelnemers werd op toeval de rol van gevangene of die van bewaker toegeschreven. In no time werden de ‘bewakers’ gruwelijk agressief en kwamen de ‘gevangenen’ fors, ook agressief, in verzet; zo erg dat het experiment na zes dagen werd stopgezet. Zimbardo wilde hiermee aantonen dat ‘gewone jongens’ in deze omstandigheden fors agressief konden worden. Recent is hierover een kritisch boek geschreven door Thibalut Le Texier: Histoire d’un mesonge (Geschiedenis van een leugen). 2018. Vooral het feit dat de deelnemers geïnstrueerd waren om sterk onderdrukkend en vernederend, respectievelijk flink opstandig te zijn, ondergraaft deze conclusie: de auteur kreeg te zien waar hij om gevraagd had; de agressie kwam niet zo maar vanzelf op, er was om gevraagd. Bovendien was de dataverzameling slordig, namelijk selectief: alleen de ergste incidenten werden gedocumenteerd.

  • Ellen de Bruin; Fake gevangenis werd nu ook nog een ‘leugen’; NRC 17 augustus 2019.

De moderne schandpaal
Marian Donner beschrijft dat de klassieke schandpaal op het dorpsplein weliswaar verdwenen is, maar dat er een nieuwe schandpaal is ontstaan: naming & shaming op het wereld-dorpsplein en het moderne panopticum Internet. Dit kan anoniem en iedereen kan het doen. Uiteraard wordt ook Foucault en zijn panopticum in het artikel beschreven: de macht, massaal en anoniem aanwezig, disciplinerend en normaliserend: “Als je niks fout doet kom je ook niet op internet. Je moet gewoon normaal doen.”

  • Marian Donner; ‘Hun moeten gewoon normaal doen’ – De hedendaagse schandpaal; De Groene Amsterdammer 12 december 2017.

Kritiek

Er kwam, beschrijft Foucault, ook kritiek op de gevangenis:

  • Vermindert de recidive niet;
  • creëert werkloosheid, dus armoede, dus recidive;
  • er is willekeur in straffen en beloningen;
  • is ‘een leerschool voor delinquentie’;
  • is een bron van criminele netwerken;
  • is desastreus voor het gezin van de gedetineerde.

Dus, gevangenis, verbeter uzelf – volgens de volgende principes, 150 jaar geleden opgesteld, in 1945 herhaald:

Principes

  1. Verbetering: leer ander gedrag aan.
  2. Classificatie: naar misdrijf, leeftijd, geslacht, enz.
  3. Strafmodulatie: de duur hangt af van het gedrag.
  4. Arbeid: als plicht en als recht, met enig inkomen voor het gezin.
  5. Opvoeding.
  6. Juiste controle: door gespecialiseerd personeel.
  7. Gekoppelde instellingen: gevolgd door reclassering enz.

Wet en overtredeing

Het volk wil precieze wetten die voor iedereen gelijkelijk gelden. Dit zag het volk niet gebeuren: het zag klassenjustitie en onderdrukking van de lagere klassen, dus kwam men (motorclubs, hooligans, activisten) in verzet door illegale daden te stellen als prostitutie en handel in wapens en drugs – waar illegaal flink in verdiend wordt. Dit is illegaal, maar in essentie niet crimineel. Toch worden ze gezien en behandeld als criminelen. Politie, rechter en gevangenis zijn deel van de keten die ‘de delinquent’ creëert. De journalistiek werkt hier aan mee: ‘nou nou, wat erg; toch goed dat er politie is!’
Gevolg was: een vijandige kloof tussen de arbeidersbeweging en de gevangenen. De tegenbeweging zei: misdaad ontstaat niet door ‘criminele aanleg’, maar door slechte sociale omstandigheden. Misdaad is geen ziekte, het kan ook verzet zijn.

De ‘kerker archipel’

In de 19e eeuw vindt, ondanks alle kritiek, een geweldige uitbreiding van het disciplineren plaats. Er vindt massale opsluiting plaats n.a.v. de geringste wetsovertreding. Foucault noemt dit “de kerker archipel’, bestaande uit gevangenissen, kinderkolonies, weeshuizen, andere tehuizen, bijvoorbeeld voor ongehuwde moeders, en zo meer. De gevolgen waren:

  1. De norm wordt niet de schade, maar de mate van afwijkend zijn, dus
  2. er komen steeds meer vormen van criminaliteit, dus
  3. meer legitimiteit voor het strafstelsel en die archipel, dus
  4. meer normalisering in alle gelederen van de samenleving, ook in de zorg: “de rechter wordt zorgverlener, de zorgverlener wordt rechter”.
  5. Er komen nieuwe vormen van kennis: de menswetenschappen – en kennis is macht.
  6. De gevangenis wordt steviger geworteld in de samenleving. Gaandeweg werd de taak van de gevangenis, disciplinering en normalisering, ook overgenomen door de psychologie en psychiatrie.

Enkele latere publicaties van Foucault

Socialisme
Foucault hekelt de toenmalige Sovjet Unie en China. Het socialisme heeft helemaal geen ‘bevrijding van de arbeidersklasse’ gebracht; alleen maar de almacht van De Partij met haar politieke delinquenten in haar strafkampen met zware dwangarbeid achter prikkeldraad, minstens zo erg , zo niet erger, dan onder Stalin en Mao het geval was.

Strafrecht en psychiatrie Foucault ergert zich hevig aan de toenemende invloed van de psychiatrie op het strafrecht: Is de verdachte toerekeningsvatbaar? Gevaarlijk? Straffen of genezen? Genezen, dus behandelen, is eenvoudiger dan straffen, prettiger voor de rechter, maar niet minder onderdrukkend. Foucault ziet alom tirannieke macht en willekeur. Wet en rechtspraak moeten gaan over feitelijk gepleegde overtredingen – niet over overtredingen die ooit zouden kunnen worden begaan. Ook laakt hij het feit dat iemand in ‘extra beveiliging’ kan worden geplaatst door de directeur van de gevangenis in plaats van door de rechter.

De Kerk
De “ogen van de macht” spieden niet alleen rond in het panopticum. Ook de Kerk heeft veel macht doordat zij lang het onderwijs en de ziekenzorg onder haar hoede heeft gehad, met voldoende ‘grondpersoneel’ en een duidelijke hiërarchie.

Het leger Dit heeft, naast de wetten, ook nog eens tal van reglementen en een eigen rechtbank: de Krijgsraad. Wat een macht!

De bekentenis
Het belang hiervan is hierboven al aangetipt. Het hele strafrechtproces is hierop gericht. Heeft men de bekentenis, dan hoeft hier alleen nog wat belastend bewijs aan te worden toegevoegd: een selectie uit het dossier. Hierna kan de psychiater aan de slag. Intussen gaat de aandacht van de misdaad naar de misdadiger: “Het gaat niet om een daad die wordt bestraft, maar om een mens die moet worden gecorrigeerd.”
Is dit humaner? Nee, zegt Foucault.

Het ‘heterdaadje’
‘Op heterdaad betrapt’ vereenvoudigt de bewijsvoering aanzienlijk, als daar al naar gezocht wordt. Foucault vindt dit “een uitholling van het recht”. Vaak wil men slechts ‘een voorbeeld stellen’ en ‘de samenleving veiliger maken’ – ook voor de werklozen en de [toen protesterende] studenten? Hoe ‘blindelings’ oordelen de rechters nog, hoe onafhankelijk zijn zij?

De strafwetgeving in sexualibus
Deze is gaandeweg verfijnd en uitgebreid:

  • Van “schending der (openbare) zeden” en “het recht op eerbaarheid”, geen van beiden nader omschreven,
  • naar ‘bescherming’ van kwetsbare en zwakke mensen, vooral de kinderen, tegen gevaarlijke daden – lees: ‘gevaarlijke mensen’, dezelfde groepen die door de psychiatrie worden genormaliseerd en gedisciplineerd.

Andermaal: ‘de macht’

Op dit cruciale begrip van Foucault moeten we nog even terugkomen.

Gilles Deleuze is ook een postmoderne Franse filosoof (1925-1995). Hij waardeert het dat Foucault enkele klassieke postulaten (stellingen, uitgangspunten) over ‘de macht’ heeft weerlegd. Ook Mark Lambrechts bespreekt dit in zijn boek in een slothoofdstuk, terwijl ook F. Ewald er iets over te zeggen heeft.

  1. Het postulaat van de eigendom van de macht.
    Foucault: Macht is niet iets dat men bezit, maar dat met strategisch uitoefent. Macht is geen eigendom van een bepaalde klasse. Macht ‘gebeurt’, werkt (of werkt niet) vanuit netwerken in de gehele samenleving, is dynamisch en wisselt nu en dan. Macht gaat niet over bezit of winst, het gaat over de mens.
     
  2. Het postulaat van de lokalisering in de staat.
    Foucault: De macht is vervlochten in de gehele moderne disciplinerende samenleving, is goeddeels onzichtbaar, lijkt afwezig maar is dit niet. Er zijn geen machtsvrije zones; instellingen zijn niet neutraal. De “Wille zur Macht” (Nietsche) doordrenkt de gehele samenleving – anders was het nationaal socialisme niet mogelijk geweest.
    Macht zit ‘m in betrekkingen, relaties, ook op microniveau. Begin daar je onderzoek: bij concrete ervaringen, kleinschalig, op het alledaagse niveau; ook ervaringen van autonomie; begin bijvoorbeeld in de fabriek en bouw zo een theorie op.
    Bestrijd dus niet de staat; dit zou een contra-staat vergen, precies waar je tegen vecht. De staat blijft echt wel in stand, kan hooguit iets veranderen.
     
  3. Het postulaat van de onderschikking: macht zou ten dienste staan aan de samenleving, aan de economie en het welzijn ervan.
    Foucault: Nee hoor, het gaat de macht alleen om de macht en de voortzetting daarvan.
     
  4. Het postulaat van de verwerkingswijze: macht zou alléén, repressief zijn.
    Foucault: Welnee, de macht is juist productief : zij produceert de werkelijkheid. Repressie is hooguit een grens ervan, een onbeholpen extreme vorm ervan. Macht produceert individualiteit omdat zij zich op het lichaam richt en op deszelfs lust. De psyche kan immer niets zonder het lichaam. Hobbes dacht dat de individuen een gezamenlijke wil formuleerden, ‘De Volkswil’, en zo soeverein konden worden. Welnee, zegt F., de macht c.q. soevereiniteit is niet aan individuen. “De macht wordt niet op de individuen toegepast, zij gaat door hen heen.”
     
  5. Het postulaat van de legitimiteit door de wet.
    Foucault: Welnee, de wet legitimeert de macht niet; de wet doet niet meer dan de overtredingen formuleren. Macht is geen juridisch contract, macht is strijd en strategie, is dus diffuus.
     
  6. Het is niet ‘het kapitaal’ dat de mensen onderdrukt en disciplineert.
    Foucault: Nee, juist de disciplinering, tot in de kleinste haarvaten van de samenleving werkend, is in staat “uit de lichamen van de mensen winst te maken”, waarna de macht dit legitimeert.
     
  7. Macht is geen ding maar een politieke afspraak – ook over wat waar is.
    Foucault: “Er zijn misschien niet zozeer ware en onware inzichten van wetenschappelijke en ideologische aard, als wel legitieme en niet-legitieme inzichten met het oog op deze of gene machtsbetrekking.”

    [FG: Dit hebben we in werking gezien bij de veroordeling van het onderzoek van Rind c.s. door het Congres van de VS, hier beschreven in mini-colleges 10, 11 en 12.]
     
  8. Het marxisme zegt: de productieverhoudingen scheppen de machtsverhoudingen.
    Nee, zegt Foucault, andersom! De machtsverhoudingen maken de productieverhoudingen mogelijk. ‘Levenstijd’ wordt ‘arbeidstijd’. Dit kan niet zonder macht en dwang – en maakt zo het kapitalisme mogelijk: ‘arbeidstijd’ wordt winst en kapitaal.
    Het marxisme is als filosofie achterhaald, maar de invloed ervan op de geschiedenis is onontkoombaar.
     
  9. Macht zou irrationeel zijn.
    Mooi niet, zegt Foucault: macht is heel rationeel: school, fabriek en ziekenhuis zijn logisch opgezette systemen, inclusief een kosten- en batenberekening.
    Macht is meer dan geweld en meer dan ideologie.
     
  10. Is macht altijd fout?
    Foucault: Nee, ook productief; een fabriek moet iets kunnen maken, een ziekenhuis moet kunnen genezen.
    Nee, zegt ook een recente kritiek, verwoord na het uitkomen van zijn laatste deel van “Geschiedenis van de seksualiteit”: macht kan ook wel eens democratisch gekozen zijn, democratisch gecontroleerd, en in toom gehouden door een rechtsstaat, dus door ‘de scheiding der machten’ in stand te houden: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. We zien nu dat niet alle staten dit nog doen – wees er dus zuinig op.

Macht en kennis
Macht en kennis zijn onlosmakelijk, zij het complex, met elkaar verbonden. Macht creëert kennis, kennis creëert macht. Foucault spreekt van “weten”, en wel (1) bestuurlijk, (2) bemiddeld door wetenschappers en (3) onderzoekend, bijvoorbeeld na een arrestatie, maar ook met behulp van rapportage en statistiek.

Discipline en normalisering,
kernbegrippen bij Foucault, vooral in de 19e eeuw opgekomen: het aankweken en opleggen van normen en gewoonten. Niet door contracten tussen individuen en hun bezit, maar door dwang, juist voor de bezitlozen en de veroordeelden, om hen te binden aan de gemeenschap en het productieapparaat. Niet theatraal door de vorst, maar alledaags in de gehele samenleving.
De norm is ‘doe normaal!’ Juist dit schept de abnormaliteit, vaak gezien als ‘ziekte’, dus te behandelen, dus groeide de (macht van) de medische wetenschappen enorm. Die norm is niet wettelijk of juridisch, maar maatschappelijk. Er is wel de wet; deze schept het verschijnsel ‘wetsovertreding’; hierop draait het rechtssysteem, ook door nu en dan iets door de vingers te zien, te tolereren – van de een wel, van de ander niet, dus selectief en zo “nuttige ongelijkheid” scheppend.
De wet is de wet, de orde is maatschappelijk. Law and order noemt Foucault “een hybride monster”, te vergelijken met “melk en citroen” die niet samengaan. De wet regelt vooral de goederen en de rijkdom, materie; de orde regelt vooral de mens, diens lichaam en diens tijd, en wel door “permanente bewaking”.

Verzet
Dit roept verzet op: macht produceert tegenmacht. Deze zien wij, net als de macht, overal in de samenleving. Dus, zegt Foucault, bundel dit verzet, kom in actie op strategische punten waarop de macht zwak is – hij vergelijkt dit met judo – blijf bewegelijk en zelfkritisch.
Intellectuelen, analyseer de macht, maak “een nieuwe waarheidspolitiek” mogelijk – en doe dit permanent. Nee, niet in “een revolutie”, maar in “een revolte”, op grond van goed doordachte strategieën.
Vergeet daarbij, zegt Foucault, de spirituele en religieuze dimensie niet. De Iraanse revolutie (1979!) kon er zijn en schoot wortel door de religie, in casu de islam. Aan het werk dus!

Nabeschouwing

Tot zover Foucault. Er zijn natuurlijk wel meer schrijvers in deze sfeer, om te noemen Jacques Derrida, Jean-François Lyotard, Gilles Deleuze (“zijn is worden”), maar hierboven is de kern ervan hopelijk wel verteld. Kijken we nu naar het onderwerp pedofilie, dan zijn ons drie belangrijke gedachten aangereikt.

Ten eerste: kijk niet, of althans niet alleen naar het verschijnsel zelf, maar vooral ook naar hoe de samenleving hierover spreekt en er mee omgaat. Leuk om eens na te gaan of er ook neurologisch of genetisch iets over te zeggen valt – heel weinig is dit – maar daar schiet de mens met deze gevoelens weinig of niets mee op; we leven nu eenmaal in een samenleving, en wel deze, hier en nu. Je krijgt dan te maken met verschijnselen als taboe en stigma.

Ten tweede: ga niet mee in het begrip ‘DE pedofiel’ als identiteit, noch als persoon, noch als onderzoeker. De onderzoeker zal alleen ontdekken wat al lang ontdekt is: ‘het zijn net gewone mensen’, de persoon maakt het zichzelf er alleen maar moeilijker mee. Je bent geen pedofiel, je hebt pedofiele gevoelens – en ga daar goed mee om. Onderzoek het verschijnsel, het gevoel, h et doen en laten, niet de persoon als identiteit, plak de persoon geen label op.

Ten derde: pas er in de hulpverlening op dat je niet het verlengstuk van ‘de macht’ wordt, dat gedragsverandering soms en deels wel eens nodig en nuttig kan zijn, maar dat deze van binnen uit moet komen en niet van buitenaf opgelegd kan worden. De discours die daarvoor nodig is, is niet de empirisch-theoretische, maar de praktische en therapeutische dialoog waarin het subjectieve en het intersubjectieve centraal dient te staan. Vermijd het begrip ‘dader’ als identiteit. Wat daarvan komt heb ik opgeschreven als “Maar meneer …. U bent een dader!” op < http://www.helping-people.info/Treatment/sot/dader.htm >.

Huiswerk

Ga voor jezelf eens na wat de hier boven staande drie punten voor jou betekenen en hoe het voelt om hier anders over te gaan denken.

Literatuur

De voornaamste bron van dit college is een erg handig boek:

  • Mark Lambrechts; Michel Foucault, excerpten en kritieken; SUN, Nijmegen 1982.
Instructief en recent is ook:
  • Stephan Sanders; Hoe het vlees woord werd; essay; Michel Foucault over macht en seksualiteit; De Groene Amsterdammer 21 juni 2018.
Voorts:

[ < Vorige ]   [ Start ]   [ Omhoog ]