Vorige Start Omhoog Volgende

Anders denken over denkfouten

Robert McGrath cs (2003) geven een overzicht van de doelen bij de daderbehandeling. Hun bevinding is dat de meeste van deze programma's de crimogene factoren niet in beeld hebben en zich in plaats daarvan richten op dadereigenschappen die geen empirisch bewezen verband hebben met recidive. 

Als, zoals wij al aangaven, 'verantwoordelijkheid nemen' wordt opgevat als het aanwijzen van interne, stabiele en intentionele factoren ['Ik heb dit gedaan omdat ik nu eenmaal zo ben en  dit wilde'], dan is dit als behandelingsdoel overschat en mogelijk zelfs contraproductief. 

Wij bepleiten niet dat de daders tijdens hun behandeling zouden moeten leren hoe ze zich kunnen verexcuseren - dit is een vrijwel natuurlijk verlopend proces - maar dat de de behandelaars zich herbezinnen op hun veronderstellingen bij dit proces van zichzelf verexcuseren. 

Het te weinig erkennen van de eigen verantwoordelijkheid hangt, empirisch bewezen, wel samen met het toegelaten worden tot een behandelingsgroep, maar niet met recidive. Men laat mensen die zich te weinig zelfverantwoordelijk achten, gewoon niet toe tot de behandeling, waarbinnen men dan dit erkennen van de eigen verantwoordelijkheid vervolgens als een hoofddoelstelling opneemt. 

Dit komt er dan op neer dat men van de mensen vraagt om zichzelf te genezen alvorens men tot de behandeling toegelaten wordt. Het feit, empirisch bewezen, dat men mensen met te weinig eigen verantwoordelijkheidsbesef helemaal niet toelaat tot de behandeling, moet toch aan het denken zetten - en wel over aan andere manier om hiermee voor en tijdens de behandeling om te gaan. 

Men weet toch intussen wel dat een methodiek van confrontatie niet helpt om een dader te veranderen en dat een meer warme, oprecht menselijke en een meer motiverende methodiek veel effectiever is dan een (ver)oordelende manier van werken. (Ward & Bown 2004; Marschall cs). Deze Tony Ward cs hebben een model ontwikkeld dat zij 'goed leven' (good lives) noemen dat de zwakke kanten van de dader verandert in diens kracht. 

Laten we eens kijken wat de alternatieven zijn: 

Kijk eens goed naar andere manieren om verantwoordelijkheid te nemen
Kijk verder dan alleen naar het innerlijk 
Zie excuses als aanwijzingen van risicofactoren 
Kijk verder dan het proces-verbaal 
Maak onderscheid tussen delict bevorderende houdingen en rationaliseringen 
Maak onderscheid tussen 'een goed verhaal' en 'een slecht excuus' 

Kijk eens goed naar andere manieren om verantwoordelijkheid te nemen

Hoe kunnen mensen nu veranderen als ze geen verantwoordelijkheid voor hun daden nemen? Het gaat daarbij om meer dan alleen terugkijken op het vroegere gedrag. Bovens (1998) maakt hierbij onderscheid tussen 

passieve verantwoordelijkheid: voor wat in het verleden is gedaan, en 
actieve verantwoordelijkheid betreft het handelen in de toekomst. 

Onderzoek wijst uit dat de actieve vorm beduidend beter werkt dan de passieve (o.a. Maruna 2001). 

Brinckman cs (1982) voegen er een derde vorm aan toe:

probleem oplossende (compensatory) verantwoordelijkheid, waarbij men zich de eigen problemen niet euvel duidt maar wel verantwoordelijkheid neemt voor het oplossen van die problemen [: 'Je bent niet verantwoordelijk voor je depressieve gevoelens, maar wel om daar weer uit te komen']. 

Het is deze vorm van verantwoordelijkheid nemen die Maruna (2001) aantreft in de verhalen van veroordeelden die daarna de verleidingen kunnen weerstaan. Het kan op zich wel van nut zijn als iemand de wortels van zijn/haar problemen weet te plaatsen in de sociale omgeving - denk aan kansarmoede, ongelijkheid, discriminatie - maar dit is niet genoeg: te passief. Men zal verantwoordelijkheid moeten nemen om deze hindernissen te overwinnen. 

Het kan dus zeker van nut zijn om die zo gewenste verantwoordelijkheid te onderscheiden [in 'mijn verleden was niet best' en 'ik neem mijn toekomst in eigen hand']. Hier heb je als behandelaar wel iets aan. 

Kijk verder dan alleen naar het innerlijk

Hier bespreken de auteurs het begrip locus of control, 

[laten we zeggen: 'referentiepunt'. Waar het daarbij om gaat is of dit punt binnen of buiten iemand ligt. Bij iemand die iets niet doet 'omdat het niet mag of straf oplevert' ligt dit punt buiten de persoon. Laat iemand iets na 'omdat hij het zelf onjuist vindt', dan ligt dit punt binnen de persoon - hetgeen als meer gewenst wordt gezien].

Dit begrip locus of control 

heeft nogal inconsistente correlaties [met gedrag], 
is erg moeilijk vast te stellen, en 
de onderliggende theorie is betwijfelbaar, namelijk dat directe invloed heeft op het te verwachten gedrag (Peterson 2000). 

De gedachte dat een intern referentiepunt altijd beter is dan een extern, mag als achterhaald beschouwd worden; de werkelijkheid is complexer. Nader onderzoek zal dus, zo valt her en der te lezen, ook andere dimensies of factoren in beschouwing moeten nemen, zoals (de mate van)

stabiliteit [van de persoon - 'ik ben nu eenmaal zo'],
globaliteit [van de overtuigingen - 'zo zit de wereld nu eenmaal in elkaar'], 
intentionaliteit [wat wil men?] en 
controleerbaarheid [wat kan men wel of niet in de hand houden?].

Deze dimensies kunnen, zo is gebleken, toekomstig gedrag [hier: recidive]beter voorspellen. Zo bleek bijvoorbeeld al dat zichzelf verexcuseren en zichzelf rechtvaardigen op grond van 

stabiele [factoren] en globale [overtuigingen als 'Zo is de wereld nu eenmaal' of 'Zo ben ik nu eenmaal'], en 
vijandig-negatieve overtuigingen [als 'Iedereen is tegen mij'], 

het meeste samengaan met recidive (Maruna 2004). Daarentegen gaan excuses in de vorm van het buiten zichzelf leggen van het gewraakte gedrag ['Het overkwam mij; zo ben ik niet'] juist samengaan met minder recidive. 

Dit zijn toch kwesties om eens goed over na te denken, niet alleen ten bate van de behandelingsmethodiek, maar ook om het al of niet recidiveren te gaan bekijken vanuit het standpunt van de dader zelf - en dit serieus te nemen. 

Zie excuses als aanwijzingen van risicofactoren 

Evaluatie van therapeutische gesprekken leert ons dat de therapeut er beter aan doet aandachtig te luisteren naar de soms verwarde maar vaak genoeg ook zeer realistische uitleg van hun daden door de cliŽnt, beter dan deze bijna automatisch te beschouwen als smoezen. De eerstgenoemde werkwijze schept vertrouwen, bevordert medewerking, terwijl juist de naar voren gebrachte excuses de weg kunnen wijzen naar de onderliggende crimogene behoeften en dynamische [veranderbare] risicofactoren. 

'Het kwam omdat ik zo gestresst was' verwijst naar het (on)vermogen om met stress om te gaan. 
'Het kwam omdat ik zo eenzaam was' verwijst naar het gemis aan (intieme) relaties en naar het feit dat dit voor de cliŽnt een probleem is. 

Als (nog) niet behandelde zedendaders hun gedrag proberen uit te leggen, noemen ze doorgaans heel precies de motieven op die verwijzen naar dynamische [veranderbare] risicofactoren, zoals daar zijn

behoefte aan intimiteit, 
moeite om met gevoelens om te gaan, of 
impulsiviteit (Mann & Hollin 2006). 

Deze uitingen geven nu juist aan therapeut en cliŽnt beide het ruwe materiaal om mee aan het werk te gaan; ze verwijzen direct naar cruciale psychische processen die alles te maken hebben met het delict. 

Ook Salter (1988) noemt dit type problemen in dit verband, zoals 

gebrek aan gevoelvolle intimiteit, 
eenzaamheid en 
[al te zeer] meevoelen 'als kind met de kinderen'.

Het zijn juist deze factoren, innerlijke krachten, die Hanson & Morton-Bourgon (2005) ontdekten als de kans op recidive verhogend. 

Dus het als 'smoezen' wegschuiven van wat de cliŽnt zelf naar voren brengt als excuses is juist gevaarlijk omdat het zijn vermogen om in de toekomst deze risicofactoren te herkennen - en er beter mee om te gaan - alleen maar moeilijker maakt. 

Al met al is de uitspraak 'Ik deed dit omdat ik het wilde'/ '... omdat ik nu eenmaal zo ben' wel zeer gewenst door een therapeut die graag innerlijke en stabiele verklaringen hoort, om in de toekomst recidive te vermijden is zo'n uitspraak niet geschikt als basis van een goed therapeutisch handelen. 

Kijk verder dan het proces-verbaal   

Sommigen, zoals Schneider & Wright (2004), zeggen dat je het denken [lees: de denkfouten] van de dader kunt aflezen aan het proces-verbaal, en dat het aangrijpingspunt ligt voor het behandelen van de [deze, dus aanwezige] cognitieve stoornis. 

Anderen zeggen dat je verder moet kijken, namelijk naar de daar onder liggende problematiek, maar ook de mogelijkheden die er ook in zitten. Zo zeggen Hanson & Morton-Bourgon in hun meta-analyse (2005, blz 1159) dat juist dit recidive helpt te voorkomen. 

Het proces-verbaal is maar een van de bronnen die de therapeut ter beschikking staan, een nogal eenzijdig document omdat het is samengesteld voor de juridische afwikkeling ervan, inclusief alvast de verdediging door de dader zelf. Maar er is meer: bij een delict spelen heel wat meer cognitieve processen een rol.

Cognitieve processen

Hiervan zijn er in de laatste vijftien jaar drie overzichten gepubliceerd: 

Drieschner & Lange 1999, 
Segal & Sternac 1990 en 
Ward et al. 1997. 

Deze overzichten concluderen alle dat het vaststellen van de cognitieve processen van daders te veel en te exclusief is gebaseerd op [- hier kort gezegd -[ hun 'denkfouten', ten koste van andere, betere cognitieve vermogens die de dader ook nog heeft en die hem in de toekomst kunnen helpen. 

In plaats van alleen te kijken naar de symptomen van 'het verstoorde denken', kun je beter op zoek gaan naar de patronen die hier onder liggen: hoe de dader zichzelf ziet, zijn motieven en zijn al dan niet impliciete werkelijke overtuigingen, bijvoorbeeld 'hoe de wereld in elkaar zit' en hoe je je leven het beste kunt inrichten. Daar vind je de basis voor je behandeling - aldus bijvoorbeeld Beech & Mann (2002, blz 268), die hierop een behandelingsmethode bouwen. 

Je begint dus wel, als therapeut, met de rationalisaties die de cliŽnt je aanreikt. Deze neem je serieus; je verwerpt ze niet meteen als 'denkfouten' en je denkt niet meteen aan een cognitieve stoornis. Je gaat daarna wel samen verder: je zoekt naar het daar onder liggende: 

zelfbeeld, 
visie op de wereld en de mens, 
stijl van leven.

Je helpt de cliŽnt zichzelf en zijn daden te begrijpen zoals hij zichzelf kennelijk begrijpt. Je merkt dat de cliŽnt best zelf goed kan nadenken en dit ook doet, zij het, uiteraard, op zijn eigen wijze en binnen zijn eigen beeld van zichzelf, mens en wereld.

Gooi die 'cognitieve stoornis' maar over boord. Als je alleen maar naar die 'denkfouten' blijft kijken na ze eerst verworpen te hebben, gooi je het kind met het badwater weg. Als hij zijn eigen onderliggende denkpatronen kan ontdekken en begrijpen, wapen je hem hiermee tegen toekomstige verkeerde daden. 

Maak onderscheid tussen delict bevorderende houdingen en rationaliseringen 

Een houding (attitude) is de manier waarop je tegen iets of een idee aankijkt. Een houding bevat 

een cognitieve component - [wat je ervan denkt], 
een evaluerende component - [welke waarde je er aan geeft], 
een affectieve component - [welk gevoel je er bij hebt] en 
een aanzet tot handelen - [wat je ermee doet of wil doen]. 

Zo bestaan er delict bevorderende houdingen. Deze worden beschouwd als blijvend, niet situatie-specifiek en delict ondersteunend. Deze zijn vrij intensief onderzocht, maar te beperkt, namelijk onder de noemer van cognitieve stoornissen, die op hun beurt weer gebaseerd zijn op de zichzelf verexcuserende uitspraken. Maar de laatste (die excuses) en de eerste (de houdingen) verschillen danig van elkaar en de relatie tussen beide verschijnselen is mistig - te weinig onderzocht ook. Je kunt ze niet in ťťn categorie, cognitieve stoornis, onderbrengen. 

Veel meer dan die excuses en rationaliseringen, zijn de houdingen van belang als het gaat om delicten, zo is herhaaldelijk in onderzoek bewezen, oa. in Hanson & Morton-Bournog (2005). Zij noemen als voorbeeld de onderliggende overtuiging dat kinderen genieten van seksueel contact met volwassenen. Zoiets moet je niet verwerpen als 'smoes' alias 'denkfout' die je niet meer wilt horen. Het is geen smoes, geen denkfout, het is een onderliggende overtuiging - een heel ander verschijnsel - die veel invloed heeft en waarover je het dus juist wel moet hebben. 

Maak onderscheid tussen 'een goed verhaal' en 'een slecht excuus' 

In de literatuur die trouw blijft aan het begrip 'cognitieve stoornis' lezen we steeds weer dat 'al die verhalen van daders' op hetzelfde neerkomen, waarbij dan het oordeel valt dat elke uitleg (verhaal) een slechte uitleg (verhaal) is. 

Zo schrijven Scully & Marolla (1984) over die denkfouten van daders dat elke verklaring, uitleg, elk verhaal alleen maar [foutieve] zelfrechtvaardiging is. Zij gebruiken hiervoor een systeem om dergelijke uitspraken te coderen, maar dit systeem kent geen andere categorieŽn dan deze, de [foutieve] zelfrechtvaardiging. Dit 'alles op ťťn hoop gooien' (blanket treatment) is onjuist; het kan een van de redenen zijn waarom die hele theorie [over de cognitieve stoornis] elke empirische onderbouwing mist.

Wie dit wil onderzoeken, kijke goed naar deze verhalen van de daders en make onderscheid tussen

'goede verhalen' (die tot latere aanpassing leiden) en
'slechte verhalen' (die tot latere recidive leiden).

Kijk maar eens goed; dan zie je dat sommige verhalen 'giftig zijn', terwijl andere verhalen neutraal zijn, dan wel juist goed zijn omdat ze het zelfrespect van de daders bewaren of herstellen. Giftig zijn bijvoorbeeld verhalen die

het slachtoffer ontmenselijken,
de wereld als alleen maar vijandig presenteren, of die
de dader zelf als 'ja, wat dacht je, ik ben nu eenmaal zo: afwijkend/gestoord' beschrijven.

Dat verhaal van 'de wereld alleen maar als vijand', the hostile attribution bias (Dodge 1993) genoemd, gaat, zo is herhaaldelijk gebleken, significant samen met agressie, bijvoorbeeld bij schoolkinderen die in een niet direct duidelijke situatie of bij de minste en geringste opmerking direct een agressieve bedreiging tegenover zichzelf zien - en daar 'dus' op hun manier op reageren.

Verhalen als 'het komt door mijn opvoeding' of 'het ligt aan de alcohol' kunnen juist een goede kern bevatten die, indien niet als denkfout verworpen maar serieus genomen en verder samen goed besproken, waardevolle inzichten opleveren over de persoons-eigen beperkingen en risicofactoren, welke inzichten de persoon in de toekomst goed van pas kunnen komen.

Beter onderzoek nodig

Het bovenstaande is een reeks suggesties, open vragen eigenlijk nog. Deze vragen om nader onderzoek, maar dan wel beter onderzoek, meer sensitief [voor de complexe werkelijkheid] en beter doordacht [dan wat we aan onderzoek aantreffen onder de noemer 'cognitieve stoornissen']

Vorige Start Omhoog Volgende